skip to Main Content
| 06 - 116 280 66

Wat is normaal bewegen?

In dit blog wil ik daarom met je stilstaan bij de dynamische systeem theorie. Hiermee hoop ik meer duidelijkheid te geven over een manier waarop we naar bewegen en het motorisch leren kunnen kijken. Om hier bij stil te staan leg ik eerst de theorie uit.

 

Degrees of freedom (DOF)

Theorieën over motor controle begonnen in 1906 met de reflex theorie. In 1967 kwam Bernstein met de dynamische systeemtheorie. Nikolia Bernstein beschreef dit aan de hand van een vrijheidsgradenprobleem (DOF=degrees of freedom). De kern van motorische controle is de mate waarin je geautomatiseerd kan elimineren van overtollige mogelijkheden aan vrijheidsgraden.

De mate waarin je beweegt kan worden beïnvloed door zogenoemde beperkingen (in de theorie worden dit constraints genoemd). Interne of externe constraints dwingen het systeem om in een bepaalde manier aan te passen of te veranderen.

Binnen de dynamische systeem theorie geven constraints (beperkingen) een grens of zijn een hulpmiddel waarmee het systeem gaat zoeken naar de meest optimale manier van bewegen in een bepaalde situatie. Er kunnen meerder constraints aanwezig zijn, hierdoor zullen de verschillende mogelijkheden voor de mogelijk manier van bewegen afnemen. Hoe meer constraints (beperkingen) hoe minder verschillende configuraties er mogelijk zijn. Dit zal voor een deel bepalen hoe je bepaalde bewegingen kan uitvoeren. Dit betekend dat als je een beweegbeperking hebt in een bepaald gewricht, je zal zoeken naar een andere manier van bewegen. Of als je in een bepaalde ruimte niet goed een bepaalde beweging kunt maken je een andere strategie voor zult zoeken.

Newell heeft deze constraints in drie hoofdcategorieën verdeeld. Deze hoofdcategorieën zijn: Omgeving, taak en organisme.

Wij mensen bewegen op een voor ons zelf makkelijke manier waardoor we de gevraagde taak kunnen uitvoeren binnen de mogelijkheden die wij hebben. Een belangrijke conclusie hieruit is dat een variatie in beweging is dus niet per definitie een ‘afwijking’ van het ‘ideaal’. Door deze “nieuwe theorie” moeten we kijken naar de manier waarop wij bepaalde handelingen inzetten. Bijvoorbeeld door het kijken op welke manier een bepaalde handeling kan worden getraind binnen de 3 hoofd categorieën. Dit moet wel functioneel worden ingezet om succesvol resultaat neer te zetten. Wanneer we te breed trainen zal de beweegstrategie niet succesvol worden geïmplementeerd.

Kan dit helpen om beter te worden met sporten?

Een voorbeeld waarin de DOF helpende kunnen zijn in de sport is bijvoorbeeld: boogschutters. Door bepaalde bewegingsgraden te bevriezen. Is het mogelijk om de pijl en boog vast te houden te kunnen richten. Dit zal zorgen dat er betere scores worden gehaald. Hierdoor kan het nuttig zijn om hier op te trainen, om beter te worden in je sport.

Wat is dan normaal bewegen? Zoals besproken is het afwijken van het ideaal niet per definitie niet goed. Eigenlijk kunnen we niet spreken over normaal bewegen. Binnen de fysiotherapie spreken wij over adaptief en maladaptief bewegen. In de volgende alinea leggen wij dit graag aan u uit.

Adaptief of maladaptief?

Als je klachten ervaart met bewegen, kan het soms helpen om een beweging op een andere manier uit te voeren (adaptief). B.v. wanneer je je enkel hebt verzwikt, is het goed mogelijk dat je tijdelijk wat vrijheidsgraden bevries om minder klacht te ervaren tijdens het lopen.

Het kan soms voorkomen dat de aanpassing op een bepaald moment niet meer functioneel is. Bijvoorbeeld wanneer je enkel is genezen maar je houd nog steeds een bepaalde stijfheid in de enkel. Hierdoor blijf je aangepast bewegen. Andere delen van het bewegingsapparaat worden overbelast en mogelijk krijg je op de lang termijn andere klachten. Dan spreken van een aanpassing die niet meer adaptief is maar is de aanpassing maladaptief geworden. Als de klachten lang duren kan het lastig zijn om het juiste beweegpatroon opnieuw aan te leren. Waarom dit lastig kan zijn heeft te maken met attractoren en fluctuatoren. Waarschijnlijk vraag je jezelf af wat zijn dit?

Beweegpatronen: (on) stabiel

Beweeggedrag kan worden verdeeld in attractoren en fluctuatoren. Wanneer eenzelfde taak wordt uitgevoerd in verschillende situaties dan zal een attractor niet in hele grote mate veranderen. Hierdoor is er sprake van een stabiele basis, waardoor de beweging robuust en effectief plaats kan vinden. Naast deze stabiele basis hebben variabiliteit in beweging wat beïnvloed word door omgeving en taak worden fluctuatoren worden genoemd.

Bij het aanleren en afleren van attractoren zullen in de eerste fase de verkeerde attractoren verdwijnen om daarna de nieuwe juiste attractoren te ontwikkelen. Hierdoor zal er eerst een afname zijn van performance plaats vinden om daarna (op langer termijn) de performance te verbeteren.

Hoogenergetische patronen

Wat zijn hoogenergetische patronen?

voorbeelden van hoogenergetische patronen zijn de beweegpatronen die bijvoorbeeld ontstaan tijdens het hardlopen.

Welke invloed hebben hoogenergetische patronen?

Tijdens hoogenergetische bewegingen/patronen die ontstaan wanneer de intensiteit toeneemt zal de controleerbaarheid van de beweging steeds verder afnemen. Verstoringen zullen daarom toenemen. Als reactie hierop zal het lichaam zorgen dat er in hoge mate gebruik van word gemaakt van de agonisten die samenwerken met de antagonisten (synergiën). Hierdoor ontstaan co-contracties en pre-reflexen wat resulteert in meer stijfheid.

Kort samengevat probeert het lichaam de bewegingen zo te organiseren dat deze goed te controleren zijn. En het bewegen zo min mogelijk energie kost.

Wat betekend dit voor training?

Uiteraard train je met een bepaalde doelstelling. Doe je aan een duurtraining dan kan het soms zin vol zijn om ook krachttraining aan je schema toe te voegen. Maar het maakt wel uit hoe we dit toepassen, en rekening houden met de wetten van het motorische leren. Weet dat het motorische systeem alleen wil leren als het wordt uitgedaagd. Kies daarom voor variatie in de oefeningen.

Het is zinvol om doelgericht te trainen. We weten uit verschillende onderzoeken dat specificiteit binnen de training belangrijk is. Praktisch betekend dit dat de oefenvorm enig sinds moet lijken op een wedstrijdbeweging. Het verwantschap kan gevonden worden in de bewegingsstructuur, uiterlijke bewegingsstructuur, energielevering, sensoriek en de intentie. De energielevering en sensoriek zijn in de praktijk nauwelijks na te bootsen binnen de krachttraining. Om specifiek te trainen lijkt het het meest effectief om te trainen middels natuurkundige principes o.a. door interactie met de zwaartekracht. Hiervoor lijkt training met gewichten en halters het meeste geïndiceerd. Zorg bij trainen altijd dat je overload creëert, waardoor je het lichaam prikkelt om zichzelf aan te passen.

Sport specifieke krachttraining moet gerelateerd zijn aan alle andere trainingen die ter ondersteuning van de sportprestatie worden gedaan.

  • Moet bijdragen aan het verbeteren van het prestatie niveau van de doelbeweging
  • Moet zo weinig mogelijk fysieke stress voor de sporter met zich mee brengen.

Richt je met krachttraining vooral op de stabiele elementen (attractors) van de beweging. Deze zijn namelijk ook bruikbaar tijdens het hoog intensief bewegen.

Conclusie

We kunnen niet spreken over normaal of niet normaal bewegen, afwijken van het ideaal hoeft niet per definitie slecht te zijn. Bewegen wordt beïnvloed door verschillende factoren. Het is belangrijk dat bewegen aan deze verschillende factoren kan aanpassen. Het menselijk lichaam heeft de voorkeur om te bewegen met zoveel mogelijk stabiliteit waardoor het bewegen zo robuust mogelijk kan plaats vinden en zo min mogelijk energie kost.

Waar mee kun je rekening houden tijdens het trainen?

Het is zinvol om binnen het bewegen de stabiele elementen (attractors) zo veel mogelijk vast te stellen en hier op te gaan trainen. Daarnaast is het belangrijk in de training zoveel mogelijk te trainen met verschillende constrains, echter moet je niet te breed trainen om een succesvol resultaat te bereiken. Onze adviezen zijn train doelgericht met voldoende variatie en rekening te houden de trainingsprincipes. Wij adviseren om functioneel te trainen omdat dit verwantschap heeft met het dagelijks bewegen en sporten.

Trainen en bewegen is persoonlijk, iedereen is uniek. Daarom adviseren wij om te werken met een persoonlijk trainingsschema.

 

 

 

 

 

*Het mogelijk net als bij de andere blogs om hier dieper en uitgebreider op het onderwerp in te gaan. We streven er naar om de informatie zo makkelijk mogelijk beschikbaar te stellen. Wil je meer weten? stel gerust je vraag wij lichten het graag verder aan je toe. Leonie & Willemijn

Willemijn & Leonie
Willemijn & Leonie
Bronnen

Timo Beemster, Spelsporters zuiniger en sneller laten lopen Deel 1: analyse van de loopcyclus, Sportgericht nr. 1 / 2017 – jaargang 71

Paul Venner, De dynamische systeemtheorie in fysieke training Deel 2: Bewegingsanalyse van de honkbalpitch, Sportgericht nr. 3 | 2019 – jaargang 73

Tom Bruijnen, effecten van variaties bij squat

Frans Bosch, Krachttraining en coördinatie, Een integratieve benadering, 2015

Keith Davids, Paul Glazier, Duarte Araujo and Roger Bartlett, Movement Systems as Dynamical Systems, The Functional Role of Variability and its Implications for Sports Medicine, sports med 2003; (4) 245-260

Glazier, Davids, Bartlett, Dynamical systems theory; a relevant framework for performance oriented sports biomechanics research, sportscience